Een beetje achtergrond
De weg naar een geharmoniseerde aanpak van energie-efficiëntie binnen de EU begon in 2002 met de eerste Energy Performance of Buildings Directive (EPBD – EU 91:2002). Voor het eerst werd een gemeenschappelijke methode ingevoerd om de energieprestaties van gebouwen te beoordelen en te certificeren. Er kwamen minimale energieprestatie-eisen en Energieprestatiecertificaten (EPC’s) voor zowel nieuwbouw als bestaande gebouwen.
Dit was een belangrijke mijlpaal, omdat er voor het eerst een gemeenschappelijk Europees kader ontstond om de energieprestaties van gebouwen te evalueren én zichtbaar te maken bij verkoop en huurcontracten.
De tweede EPBD (EU 31:2010) dateert van 2010 en legde de focus op de energetische renovatie van bestaande gebouwen, met bijzondere aandacht voor de voorbeeldrol die overheden konden spelen in energiezuinige renovaties. Het algemene doel was om tegen 2020 de energievraag en de CO₂-uitstoot met 20% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990.
Fast forward naar 2015: het Klimaatakkoord van Parijs. Een nieuwe generatie EPBD-richtlijnen zag het licht, met een ambitieuzere doelstelling: het Europese gebouwenbestand tegen 2050 koolstofvrij maken. De aandacht verschoof daarbij naar de volledige levenscyclus van gebouwen, waarbij niet alleen operationele emissies, maar ook de ingebedde koolstofuitstoot (embodied carbon) in rekening werd gebracht.
De overgang van een loutere focus op energie-efficiëntie naar een bredere milieuprestatie kwam er met de derde EPBD in 2018. CO₂-uitstoot werd een centrale maatstaf niet alleen de uitstoot tijdens het gebruik van gebouwen, maar ook de emissies die voortkomen uit materiaalproductie en het bouwproces.
Een bredere kijk op gebouwprestaties en meer aandacht voor CO₂-uitstoot over de volledige levenscyclus
Met de publicatie van de EU-Taxonomie in 2022 en de nieuwste EPBD-richtlijn van 2024 wordt de beoordeling van gebouwprestaties eindelijk echt geïntegreerd en multidisciplinair.
Aspecten zoals gebruikerscomfort, binnenluchtkwaliteit, waterverbruik en de totale impact over de volledige levenscyclus worden nu samen bekeken met de energiebehoefte van een gebouw om de algemene prestatie ervan te bepalen.
De boodschap van de EU is duidelijk: het is onmogelijk om de milieuprestaties van een gebouw correct te beoordelen zonder zowel de operationele als de ingebedde CO₂-uitstoot over de volledige levenscyclus mee te nemen in het ontwerp.
Deze verschuiving zien we ook terug in een nieuwe generatie Energieprestatiecertificaten. Onder EPBD 2024 zullen EPC’s niet langer enkel de energieprestaties van een gebouw weergeven, maar ook de totale milieu-impact, inclusief de CO₂-uitstoot over de volledige levenscyclus.
Er breekt dus een nieuw tijdperk aan, met een bredere definitie van prestaties. Dat is iets wat bijzonder relevant is en niet genegeerd mag worden in de decarbonisatie van het bestaande Europese gebouwenbestand.
Waar de regelgeving nog tekortschiet
Ondanks deze vooruitgang is er nog ruimte voor verbetering, vooral bij energetische renovatieprojecten.
Hoewel de EU-Taxonomie en EPBD 2024 een Life Cycle Assessment (LCA) verplicht maken voor nieuwbouwprojecten, geldt die verplichting nog niet volledig voor renovaties. Voor bestaande gebouwen wordt de berekening van levenscyclusimpacten, inclusief Global Warming Potential (GWP), wel aangemoedigd maar nog niet verplicht.
Dat betekent dat er voorlopig nog geen systematische en volledige LCA vereist is om de totale milieu-impact van renovatiemaatregelen over de volledige levensduur te beoordelen en te optimaliseren.
Dat is geen detail. Projecten die gericht zijn op het verminderen van de energievraag van een gebouw, of die deze bijna volledig willen elimineren, zoals bij decarbonisatieprojecten, veroorzaken immers ook ingebedde emissies.
Het doel van energetische renovaties van bestaande gebouwen is uiteindelijk om hun totale milieu-impact over de volledige levenscyclus te verlagen. Als verbeteringen in energie-efficiëntie niet rechtstreeks bijdragen aan een lagere langetermijnimpact op het milieu, verliezen ze hun waarde.
Daarom is het uitvoeren van Life Cycle Assessments (LCA’s) bij renovatieprojecten essentieel, zeker binnen diepgaande decarbonisatiestrategieën waarbij de ingebedde emissies aanzienlijk kunnen zijn.
Wat betekent dit voor ontwikkelaars en investeerders?
Voor ontwikkelaars en investeerders die écht duurzame projecten of vastgoedportefeuilles willen realiseren, moeten de huidige regels eerder als vertrekpunt dan als eindpunt worden gezien.
Het integreren van levenscyclusanalyses van CO₂-uitstoot en energie-optimalisatie in renovatiestrategieën is cruciaal om de Europese doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050 te halen.
Tegelijk mag één belangrijke realiteit niet over het hoofd worden gezien: net zoals geld lenen een kost met zich meebrengt, kan ook het verminderen van CO₂-uitstoot in gebouwen zelf extra emissies veroorzaken. Het goed beheren van die afweging zal de komende jaren van doorslaggevend belang zijn.

Dr.-Ing., arch. Giovanni Litti
Projectdirecteur – Duurzaamheid


