De Belgische bouwsector verkeert in een periode van toenemende volatiliteit. Aanhoudende spanningen in de toeleveringsketens, stijgende kosten door inflatie en voortdurend veranderende regelgeving beïnvloeden ingrijpend de manier waarop de sector functioneert. In deze context proberen opdrachtgevers meer controle te krijgen over deze transformaties en de veerkracht van hun vastgoed te vergroten. Circulariteit kan daarbij een belangrijk deel van de oplossing zijn.
Toch blijft dit potentieel grotendeels onderbenut. Ongeveer 95% van het bouw- en sloopafval is technisch recyclebaar. In werkelijkheid wordt het grootste deel van deze materiaalstromen echter gedowncycled, dus verwerkt tot toepassingen van lagere waarde, terwijl de materiaalprijzen hoog blijven en de toegang tot primaire grondstoffen steeds onzekerder wordt.
Hoogwaardige materialen verlaten nog te vaak de bouwplaats als afval, in plaats van te worden beschouwd als activa die binnen de bouwcyclus behouden kunnen blijven. Deze situatie illustreert een economische paradox: we kopen materialen tegen hoge prijzen, betalen ze opnieuw wanneer ze de bouwplaats verlaten, en investeren vervolgens nogmaals om hun verlies te compenseren – terwijl hun waarde in de bouwcyclus zou kunnen worden behouden.
Deze paradox legt een structureel onevenwicht in de sector bloot: hoewel sloop slechts een klein deel van de totale bouwactiviteit vertegenwoordigt – ongeveer 8% – is zij verantwoordelijk voor het grootste deel van het bouw- en sloopafval, dat wordt geschat op 55% tot 70%.
Deze situatie vraagt om meer dan losse maatregelen of tijdelijke pilootprojecten. Het is noodzakelijk om de manier waarop materialen worden geïdentificeerd, beheerd en gevaloriseerd, doorheen de volledige levenscyclus van gebouwen, fundamenteel te herdenken.
Vanuit dit perspectief manifesteert urban mining zich als een strategische hefboom. Door de bestaande bouw te benaderen als een waardevolle materiaalreserve, maakt urban mining het mogelijk om grondstoffen terug te winnen en opnieuw in de bouwcyclus in te brengen die anders verloren zouden gaan.
In steden met een verouderd gebouwenbestand – Brussel is daarvan een treffend voorbeeld – onthult deze benadering een waardevolle materiaalbron die kan worden ontsloten voor hergebruik.
Voorbeeldprojecten zoals ZIN in Brussel tonen concreet aan hoe deze paradigmaverschuiving op projectniveau in de praktijk wordt gebracht. In dit geval werden strategieën voor materiaalhergebruik al vanaf de eerste ontwerpfase geïntegreerd, terwijl tegelijkertijd werd gegarandeerd dat het nieuwe beton op de bouwplaats voldeed aan de hoge Cradle to Cradle-certificeringseisen. Elke fase van het project werd ontworpen met het oog op een toekomstige terugwinning van materialen.

Urban mining toont zijn volle potentieel wanneer het al in een vroeg stadium van de projectlevenscyclus wordt geïntegreerd. Beslissingen die in de concept- en ontwerpfasen worden genomen, bepalen rechtstreeks de mogelijkheid om materialen op grote schaal terug te winnen, of om ze voorgoed te verliezen.
Daarom verschuiven materiaalinventarissen tegenwoordig de focus naar elementen met de grootste volumes en de hoogste milieu-impact, precies daar waar vroege ontwerpkeuzes het meest doorslaggevend zijn: betonnen draagstructuren, metselwerk en staal.
Deze ontwikkeling verandert ook de rol en het moment waarop de verschillende actoren tussenkomen. Aannemers en fabrikanten worden eerder betrokken bij het proces, zodat marktvraag, technische randvoorwaarden en logistieke vereisten vanaf het begin kunnen worden meegenomen.
Het hergebruik van materialen wordt hierdoor een gecoördineerde, projectbrede inspanning in plaats van een reeks geïsoleerde keuzes. Tegelijkertijd verschijnen nieuwe actoren in de waardeketen: gespecialiseerde bedrijven die grote volumes kunnen verwerken en materialen geschikt maken voor hergebruik, revisie of hoogwaardige upcycling.
Het behoud van de kwaliteit van materialen is een essentieel principe van echt circulair bouwen. Het hergebruik van beton is daarvan een tastbaar voorbeeld: in plaats van het te verwerken in laagwaardige toepassingen, zoals wegfunderingen, kan het worden geüpcycled tot nieuwe structurele toepassingen die de technische waarde behouden. Gezien de enorme hoeveelheid beton in het Belgische gebouwenbestand en de hoge koolstofvoetafdruk van de productie ervan, is het potentieel voor de vermindering van de milieu-impact bijzonder groot.
Naast de ecologische voordelen biedt urban mining ook aanzienlijke economische kansen. Door materialen in omloop te houden, versterkt het de lokale waardeketens en stimuleert het de werkgelegenheid. Bovendien bevordert het de toepassing van Cradle to Cradle-principes, door te vermijden dat materialen aan het einde van hun levenscyclus als afval worden beschouwd.
Wanneer gebouwen worden ontworpen met het oog op toekomstig hergebruik, vergemakkelijkt dit de circulaire transitie. Materiaal- en productkeuzes spelen hierbij een sleutelrol, onder meer via de integratie van C2C-oplossingen die zijn ontwikkeld om hergebruikt, herbestemd of gerecycled te worden.

Projecten zoals ZIN en The Hive, waarin een aanzienlijk deel van de materialen op locatie of elders wordt hergebruikt, tonen duidelijk het potentieel van urban mining en hergebruik aan zodra de betrokken partijen zich verenigen rond ambitieuze circulaire doelstellingen. Om dit potentieel volledig te benutten, moeten hergebruikscenario’s en partnerschappen – zowel op locatie als daarbuiten – al in de eerste fasen van het project worden gedefinieerd.
Echte circulariteit ontstaat pas wanneer alle actoren in de bouwketen deelnemen aan een gezamenlijke inspanning, waarbij materialen samen worden omgevormd tot duurzame waarde.
Dit artikel werd geschreven door Drees & Sommer.


